skip to Main Content

Waakdienst bij een bijzonder mens

Een tijdje geleden waakte ik voor de 4e nacht bij een mevrouw die het liefst thuis wil blijven om te sterven. G; ze wil graag dat ik haar bij de voornaam aanspreek. Voor G ben ik Jeanine, Jannie, Josefine, Jeanet en het mooiste vind ik “meisje” haha, tenslotte ben ik 13 jaar jonger!

G is terminaal ziek, dat zijn alle mensen die aan onze zorgen worden toevertrouwd. De meeste hulpvragers bij wie ik waak zijn zieker, soms al in coma en vaak kom ik er maar één keer. Bij sommige ben je langer, vooral als ze alleenstaand zijn en de mantelzorgers het klokje rond de zorg niet kunnen waarborgen. In deze categorie valt G, haar man is al langer geleden overleden evenals één van de zonen, de enige die er nu nog is dat is zoon M, hij is overdag heel veel aanwezig en kan zijn moeder nog maar slecht missen, hij levert de uiterste inspanning om haar tot het einde toe thuis te houden.

Het beste moment van de dag is voor G ’s avonds tegen elven; het moment dat de vrijwilliger binnenstapt en tijd heeft voor haar. We praten over koetjes en kalfjes, maar ook zeker over de serieuze zaken die bij het afscheid van het leven horen. Thuisblijven of toch hospice, euthanasie of palliatieve sedatie of geen van twee want het “èten smaakt mie nog zo lekker, vandage heb ik nog gesmult van vier patatjes en een kroketje”.

G vindt het extra fijn als “ie plat kunt proatn” en dat “doot wie natuurlijk ook!” Haha geboren en getogen in Groningen met Arnhemse ouders krijg ik toch een dikke voldoende van haar pffffff gelukkig alle jaren oefenen in het Dèventerse werpt zijn vruchten af.

G is goed bij de tijd en ze is er een kei in om je allerlei dingetjes te ontfutselen, die ze vervolgens weer bespreekt met andere vrijwilligers, bij mijn komst weet ze een aantal dingen feilloos te reproduceren zoals “J die liekt toch niet older als 49, wèt ie die is al 69”. Maar ze begint met het grapje dat ze nog nooit zoveel mannen in haar huis heeft gehad als de laatste weken en “ze bint allemoale èven leef”. “O heft gelukkig geen piene meer aan de scholder wèt ie dat uh dokter is, dan is er nog een heel andere dokter J en de leraar J en dan H is al 76 joar en die tennist nog”, ik zeg maar even niet dat ik “bienoh 69 bin” maar ik merk even later dat ze dat allang weet.

De aankomende nacht komt D, die is nog niet eerder geweest G heeft haar uiterste best gedaan om uit mij te krijgen wie ze vannacht als gezelschap heeft.
Ik heb aangegeven dat ze het zeker goed met elkaar kunnen vinden en ze “proat bèter plat als ik”. Nadat ze 5 shagjes heeft gerookt, een kopje rooibosthee dronk en een “beschute met jam” at; na heel veel woorden, een lach en een traan later is het een uur of één en dan help ik G in bed. Met een extra bolus morfine, een slaaptablet en eentje voor de kalmering slaapt ze meestal lekker met de nodige sanitaire stops tussendoor.

Dan sluip ik om 7 uur de deur uit; even later zal de thuiszorgmedewerker zich aandienen, ik kom haar al tegen zij op de fiets op de spekgladde weg, we zwaaien nog even. Thuisgekomen, hond uitlaten, alle kleren gelijk in de was, douchen en met een glaasje wijn nog een berichtje naar de coördinator en dan een paar uurtjes lekker mijn mandje in. Zeg nou zelf “er zijn” dat kun jij toch ook? of “zeg noe zelluf “er zijn” dat kun ie toch ook?”

Epiloog

De 7e nacht waakzorg bij G ze zat echt op me te wachten. We wisten allebei dat dit onze laatst nacht samen was en daarover wilde ze graag praten. De knoop was doorgehakt en ook de familie kon achter haar besluit staan, dat gaf haar rust. Ziek, vreselijk broos, maar ook opgelucht was ze; we hebben nog lang zitten praten over het naderende einde. We concludeerden zelfs lachend dat ze ervan uit zou gaan dat er dat prachtige licht zou zijn aan het aan het eind van de tunnel, daar had zij weleens van gehoord. Ik kon dat beamen vanwege mijn beroep had ik mensen ontmoet met een “bijna dood ervaring”. Toen ik haar naar bed had geholpen moest ik beloven haar ‘s ochtends wakker te maken in geval ze nog zou slapen.
De volgende ochtend namen we met een dikke knuffel afscheid en ik wenste haar een mooie reis, ik wist dat het goed was maar even branden de tranen achter mijn oogleden.

Een paar dagen later kwam er een eind aan het rijk gevulde leven van G. Hoewel ik er geen gewoonte van maak stond in dit geval buiten kijf dat ik naar haar crematie zou gaan. Het was bijzonder om degenen die ik uit de verhalen al lang kende; zoon M, de kleinkinderen, te horen vertellen over haar, dat bevestigde nog eens wat ik al lang wist, ze was een bijzondere vrouw, moeder en oma.
Lig ik daar nu wakker van? Nee hoor, het is goed zo; ik ben dankbaar dat ik bij haar mocht waken en kon bijdragen aan haar belangrijke wens “thuis blijven om te sterven”.

G was in al haar eenvoud een heel bijzondere, wijze vrouw. Tot het laatst betrokken bij allen om haar heen; ook bij ons de vrijwilligers van de Stichting Thuis Sterven.

Back To Top